Ce contenu est archivé.
Toespraak ter gelegenheid van de Officiële Belgische Nationale Herdenkingsplechtigheid van de 100ste Verjaardag van de Slag om Ieper – Menenpoort
Ieper, België, dinsdag 28 oktober 2014
ALLEEN HET GESPROKEN WOORD GELDT
Toen 100 jaar geleden de eerste wapens weerklonken, viel er een sluier over de wereld: we waren in oorlog.
Duizenden en duizenden dienden in de legers en velen keerden nooit terug naar huis. En wie wel terugkeerde, was veranderd, voor altijd.
Vele anderen raakten ontheemd, of verloren hun thuis, hun bron van inkomsten, zelfs hun leven tijdens de strijd. Zelfs wie niet zelf in de vuurlijn stond, verloor het bij vredestijd horende normale doen. Dit was, en is nog steeds, de kostprijs van de oorlog.
Landen en regeringen; burgers en soldaten; mannen, vrouwen en kinderen—iedereen voelt de impact van de oorlog, wanneer agressie, vijandigheid, instabiliteit en haat worden gevoed door vuurwapens en mortieren en tanks.
Voor ons, generaties geboren na de “oorlog die een einde moest maken aan alle oorlogen” is de kostprijs ‘herdenken’, een onbetekenende inspanning in vergelijking met de offers die zo velen brachten. Wij mogen nooit vergeten wat een heldenmoed en dapperheid die soldaten hebben getoond. Dat is onze plicht.
Ik geef het toe: ik kan me de gruwel van de oorlog niet inbeelden. Dit kunnen maar weinigen die deze nooit hebben meegemaakt. Ik zal nooit in het slijk en de modder van de loopgraven terechtkomen. Ik zal nooit shrapnels, granaten of vijandelijk vuur moeten ontwijken. Ik zal nooit weten hoe het voelt om vrienden en kameraden naast mij te zien neermaaien, maar toch door te moeten gaan. Dit zal ik nooit weten.
Maar er zijn dingen die ik wel begrijp. Droefheid en verlies, en ten dienste staan van je land. En de verantwoordelijkheid om te herdenken en te eren.
Canadese en andere divisies van het Gemenebest zijn voorbij deze plek gekomen op hun weg naar de strijd. Een gevoel van nederigheid geeft het om hier te staan bij de Menenpoort, zich de kameraadschap in te beelden van die soldaten, hun nauwkeurigheid en vastberadenheid. Marcheerden ze in stilte? Werd er zenuwachtig gepraat? Waren sommigen zo vooruitziend dat ze konden voorspellen wat er zou gebeuren?
Elke persoon wiens naam in deze muren is gegrift, had thuis een leven dat op hem wachtte, een leven dat niet werd ingevuld.
Er staan hier 54 896 namen—sommigen nog zo jong—van mensen zonder graf, vermisten, wiens einde we mogelijk nooit zullen kennen.
Wat zouden zij hebben bereikt in hun leven als zij, zoals talloze mensen voor en na hen, niet waren omgekomen in de oorlog? Hoe anders zou deze wereld eruitzien? Welke waarde, schoonheid en eigenheid ging er verloren met hun dood? Er zijn geen antwoorden op deze vragen, natuurlijk. En die zullen er ook nooit zijn.
Dit gedenkteken herinnert ons eraan dat de dood nooit anoniem is. De soldaten die hier worden herdacht, kwamen misschien uit verschillende landen, maar ze vochten zij aan zij met hetzelfde tragische einde.
We zijn hier vandaag samengekomen met een gemeenschappelijk doel: hen herdenken en eren die vochten in de slagen van de Eerste Wereldoorlog, waarvan sommige slechts enkele kilometers hiervandaan plaatsvonden. Ter nagedachtenis aan hen—en ook ter nagedachtenis aan al wie is omgekomen in dienst van onze landen, doorheen de geschiedenis—moeten we trachten om het beter te doen, harder te werken, om deze wereld beter en rechtvaardiger te maken, om te bouwen aan betere, meer zorgzame landen.
Vandaag wordt er nog steeds strijd gevoerd voor een leven in goede verstandhouding. We moeten een manier vinden om een einde te maken aan conflicten, in het belang van onze kinderen en van elkeen die voor zijn land heeft gevochten en is gestorven.
We moeten alleen maar dapper genoeg zijn om de vrede te omarmen.
Dadelijk zullen we de “Last Post” horen, die aan de Menenpoort al bijna 30 000 keer heeft weerklonken sinds deze werd gebouwd. Toch zijn de klanken ervan nog steeds aangrijpend, en staan ze voor verering en herdenking. Wanneer de laatste echo uitdooft, zal ik denken aan de Canadezen die door onze geschiedenis heen hebben gediend aan de zijde van vrienden en geallieerden, en ook aan hen die met trots blijven dienen.
Het respect en de waardering van de Canadezen voor wie zijn land dient is de voorbije dagen in het middelpunt komen te staan. Bij onuitgelokte aanslagen in twee Canadese steden werden drie Canadese soldaten gewelddadig aangevallen. Twee van hen kwamen om; één raakte gewond.
Deze soldaten hechtten – net zoals alle jonge mannen en vrouwen die vrijwillig hun land dienen in het leger – meer belang aan de veiligheid van hun medeburgers en van het land dan aan hun eigen leven.
Hoezeer we samen ook bouwen aan een betere wereld en erkennen dat het goede bestaat, we weten even goed dat voor sommigen haat – en bijgevolg de drang naar vernieling - een drijfveer is.
Met dit in gedachten, vragen wij de besten onder ons naar voren te treden, hun leven te wijden aan militaire opleiding, en zich in onze plaats klaar te houden voor het onverwachte. We vragen hen om, wanneer het erop aankomt, snel te handelen in vreselijke tijden, met het risico gewond te raken of het leven te laten, zodat anderen in veiligheid blijven.
Als opperbevelhebber overvalt mij steeds een gevoel van nederigheid, wanneer ik mensen hun land zie dienen in de strijdkrachten. Het Canadese leger is – zowel in tijden van vrede als in tijden van conflict – een van de best opgeleide en meest gemotiveerde krijgsmachten ter wereld.
Zelfs toen een aantal soldaten binnen onze eigen gemeenschap werden getroffen, zijn vele anderen – soldaten, politiemensen en veiligheidsdiensten – in actie gekomen om een samenwerkend verdedigingsweb te vormen dat ons allen toestaat om met vertrouwen in vrede te leven.
Vandaag vieren de familie van korporaal Nathan Cirillo, al zijn kameraden van de Argyll and Sutherland Highlanders of Canada, en elke Canadese burger, het leven van een dappere jonge Canadees en rouwen zij om zijn dood. Tegelijkertijd buigen wij allen het hoofd ter nagedachtenis van adjudant Patrice Vincent, en bidden wij voor het volledige herstel van zijn collega, adjudant Landon Perry.
Laten wij allen, terwijl we dit doen, onze algehele bewondering en dankbaarheid uitdrukken voor onze strijdkrachten – zij zijn onze voortdurende bescherming tegen wie ons kwaad toewenst, en het niet aflatende bewijs van de moed en goedheid van de menselijke natuur.
Dit majestueuze bouwwerk is het permanente bewijs van de bewondering en dankbaarheid die Canada en de landen van het Gemenebest voelen voor onze soldaten en voor de mannen die de veldslagen van de Ieperboog hebben gestreden. We moedigen onze volkeren aan om deze plek te bezoeken, aangezien het een gepast eerbetoon is aan, en een symbolische rustplaats voor al wie zijn leven heeft opgeofferd in de oorlog. Het is in hun naam dat we moeten trachten om een einde te maken aan oorlog, lijden en onrechtvaardigheid.
Laat ons nooit de verantwoordelijkheid vergeten die we dragen tegenover hen en tegenover onze wereld.
Dank u.
